Invoerdialoogvenster voor processoropties

U kunt het invoerdialoogvenster voor processoropties openen via de voorkeuren voor annotatieverwerking. U kunt er opties in toevoegen of bewerken.

De opties die u hier opgeeft, worden aan processors die gebruikmaken van de mirror-API's van Java 5 doorgegeven via de interface AnnotationProcessorEnvironment of aan processors die gebruikmaken van de annotatieverwerking-API's van Java 6 via de interface ProcessingEnvironment. Om ervoor te zorgen dat Java 5-processors compatibel zijn met andere implementaties van deze API, wordt elke optie op twee manieren aangeboden: als sleutel/waarde-paar en als gecombineerde sleutel die overeenkomt met de opdrachtregelnotatie van de optie ("-Asleutel=waarde"). Een optie met de sleutel "foo" en de waarde "bar" zou bijvoorbeeld zo worden afgebeeld en als sleutel "-Afoo=bar" met waarde null. In het geval van Java 6-processors worden de opties eenvoudigweg aangeboden als sleutel/waarde-paren, zonder "-A" en zonder de gecombineerde notatie "-Asleutel=waarde".

Als een optie een pad aanduidt, kan deze met een procentteken beginnen, zoals in %FOO%/. Als het teken de naam van een klassenpadvariabele is, wordt het tijdens de uitvoering van de processor vervangen door de huidige waarde van de variabele. De speciale waarde ROOT geeft het absolute pad van het werkgebied aan. Zo komt %ROOT%/foo/bar.xml overeen met d:/mijn_werkgebied/foo/bar.xml en is %JRE_LIB%/rt.jar gelijk aan c:/jdk1.5.0/lib/rt.jar. De speciale waarde PROJECT.DIR geeft verder het absolute pad van het huidige project aan.

Bepaalde opties worden automatisch ingesteld. Als u deze in dit dialoogvenster opgeeft, worden ze genegeerd omdat de automatisch verstrekte waarden voorrang krijgen. Een uitleg van de automatische opties vindt u hier.