U kunt variabelen, expressies en registers één voor één aan de view Geheugen
toevoegen, waarbij u telkens een nieuwe (of dezelfde) rendering toevoegt. Nadat u een
geheugenmonitor en een rendering hebt toegevoegd, kunt u ook in het deelvenster
Renderingen op de knop Rendering(en) toevoegen
(
) klikken. Hierbij
moet u in een dialoogvenster de rendering selecteren die u aan de view wilt toevoegen.
In het dialoogvenster kunt u meerdere renderingen selecteren met de toetsen Shift of
Ctrl. Er wordt dan een rendering geopend voor elke geselecteerde renderingnotatie. Als u
meerdere geheugenrenderingen toevoegt, worden deze van elkaar gescheiden met tabs.
U kunt bovendien het deelvenster Renderingen splitsen met de
wisselknop Splitsen inschakelen/uitschakelen (
). Als het deelvenster
Renderingen is gesplitst, worden er twee renderingen naast elkaar
afgebeeld.
Als een geheugenmonitor meerdere renderingen heeft, kunt u deze aan elkaar koppelen.
Hiertoe klikt u op de knop Deelvensters Renderingen koppelen
(
).
Gekoppelde renderingen zijn gesynchroniseerd. (Voorbeeld: Als u de kolomgrootte in de ene
rendering aanpast, wordt deze in de andere rendering eveneens aangepast. Ander voorbeeld:
Als u de cursor in de ene rendering verplaatst of verder bladert in de ene rendering,
gebeurt dit ook in de andere rendering.) Het koppelen van renderingen geldt alleen voor
de huidige view Geheugen. Hebt u meerdere views Geheugen geopend, dan zijn de renderingen
niet gekoppeld.
Om een rendering te verwijderen, selecteert u deze in het deelvenster
Renderingen en klikt u op Rendering verwijderen
(
). Als u
alle renderingen voor een bewaakte expressie, een bewaakte variabele of een bewaakt
register verwijdert, wordt het deelvenster Renderingen gevuld met de
selectielijst van geheugenrenderingen. In deze lijst kunt u de gegevensnotatie selecteren
die u voor een geheugenrendering wilt gebruiken, waarna u op Rendering(en)
toevoegen klikt.