Externe communicatie configureren

De Agent Controller kan alleen toegankelijk voor andere clients zijn als er een apparaat wordt geopend waarmee een verbinding kan worden gemaakt. Deze verbinding wordt tot stand gebracht met een of meer poorten op de ingebruiknamehost. De Agent Controller gebruikt verschillende transportlagen, afhankelijk van het protocol dat wordt gebruikt door de client waarmee wordt gecommuniceerd. Standaard gebruikt de Agent Controller poort 10002 voor communicatie met clients die gebruikmaken van het oudere protocol en poort 10006 voor communicatie met clients die gebruikmaken van het nieuwe protocol. Beide zijn opgegeven in het configuratiebestand serviceconfig.xml. Voor het oude protocol zijn ook nog poorten opgegeven voor beveiligde verbindingen (10003) en bestandsoverdrachtbewerkingen (10005).

Verschillende poorten voor de Agent Controller opgeven

U kunt aangeven dat voor de Agent Controller een andere poort moet worden gebruikt door het element Port in het subelement <TransportLayer> op te geven.

Om de poort voor communicatie via het oude protocol te wijzigen, gaat u als volgt te werk:

  1. Zoek het configuratiebestand serviceconfig.xml op.
  2. Open dit in een editor en zoek het volgende XML-fragment op:
        <TransportLayer loadlib="tptpCCTL"
    type="TPTP_CCTL">
            <Configuration>
                <Port>10002</Port>
    <SecuredPort>10003</SecuredPort> <FilePort>10005</FilePort> <IsDataMultiplexed>false</IsDataMultiplexed> <ProcessPolling>true</ProcessPolling> <Jvm>C:\Program Files\Java\j2re1.4.2_08\bin\client\jvm.dll</Jvm> <Version>4.2.0</Version> <SecurityEnabled>false</SecurityEnabled> <Hosts configuration="default"> <Allow host="LOCAL"/> </Hosts>
            </Configuration>
            <CommandExtractor>tptpCmdExtr</CommandExtractor>
        </TransportLayer>
     
  3. Wijzig de waarde van het poortkenmerk in het poortnummer dat u wilt laten gebruiken door de Agent Controller.

 

Om de poort voor communicatie via het nieuwe protocol te wijzigen, gaat u als volgt te werk:

  1. Zoek het configuratiebestand serviceconfig.xml op.
  2. Open dit in een editor en zoek het volgende XML-fragment op:
        <TransportLayer loadlib="socketTL"
    type="TPTP_SOCKET">
            <Configuration>
                <Port>10006</Port>
            </Configuration>
            <CommandExtractor>tptpCmdExtr</CommandExtractor>
        </TransportLayer>
     
  3. Wijzig de waarde van het poortkenmerk in het poortnummer dat u wilt laten gebruiken door de Agent Controller.

Pictogram voor opmerkingOpmerking

Wanneer er met deze Agent Controller moet worden gecommuniceerd, moet voor de clienttoepassing hetzelfde poortnummer worden opgegeven als in dit configuratiebestand.

 

Verwante taken
De configuratiebestanden opsporen
De Agent Controller beheren
 

Verwante concepten

Compatibiliteit met eerdere versies in de Agent Controller


Copyright (C) 2005, 2006 Intel Corporation.